Een totaalprogramma met film, debat en zang, over het einde van de scheepsbouw in België. Centraal staat de documentaire trilogie "Zolang er scheepsbouwers zingen" (1999) van Jan Vromman.
De vertoning van dit driedelig filmdocument is aanleiding om twee mannen die gestalte gaven aan de sociale strijd te huldigen: Jan Cap en José De Staele. Beiden waren hoofdélégé van het nu reeds meer dan tien jaar failliete Boelwerf in Temse.
De drie films schetsen de geschiedenis van de scheepsbouwindustrie en meteen de context van een imposante sociale strijd.
José De Staelen de man van het lied noemen en Jan Cap de man van het woord, is misschien een verdichting; maar zeker is dat beide leerden een vuist te maken en geloven dat dit vandaag nog even noodzakelijk is.
Voor Victoria Deluxe kadert de aandacht voor deze concrete getuigenissen in hun werking rond levend cultureel erfgoed. Ze vormt een antwoord op de groeiende kloof tussen de rijke ervaring van ouderen en de historische onwetendheid van jongeren.
Deze trilogie vertelt het verhaal van de scheepsbouwindustrie en in het bijzonder van de laatste bouwer van zeeschepen in België: Boelwerf Temse. De saga potretteert tegelijk een sociaal-economische geschiedenis. Van geloof in een onbegrensde groei komen we tot twijfels, opstanden.
Eerste deel: Champagne! 1829-1969 (86')
De constatatie van het einde van een industrie staat in contrast met het verhaal van de groei van een bedrijf. De tonnenmaat van de schepen neemt toe: houten bootjes worden gesofistikeerde zeeschepen. Het aantal werknemers groeit. Meer dan 3000 worden het er. Maar op de scheepswerf groeit ook het schip: Van kiel tot kraaiennest, van kop tot kont.
Tweede deel: Roes... 1969-1986 (81')
Het zijn wonderlijke jaren, een rechtvaardiger wereld zou mogelijk zijn, andere sociale verhoudingen... De klassebewuste arbeider komt niet alleen tegenover de werkgever voor zijn rechten op, ook het conflict met de officiële vakbond tekent zich af. Tegelijk komt het bedrijf in moeilijkheden. Concurrentie met lagelonenlanden.
Derde deel: Zware Kop. 1986-1997 (83')
Bijna failliet, eerste faling, bedrijfsbezetting, tweede faling, tweede bezetting, uitverkoop, de laatste schepen... Bij het relaas van dit stervensproces komen we onvermijdelijk bij de kwestie 'arbeid en toekomst'. Uit angst onze materiële welvaart te verliezen, aanvaarden we de vervreemding tegenover onze arbeid. We durven de vraag naar zinvolle arbeid niet meer stellen.
Jan Cap:
Onze strijd ging niet alleen over verloning, het werk moest eerst en vooral zo veilig en gezond mogelijk zijn. De sociale beweging toespitsen op looneisen is onvoldoende. Loonverschillen maken ons tam, het is verdeel en heers voor de werkgevers. We gingen verder, we wilden nadenken over de zin van onze arbeid, arbeid was maar zinvol als die zinvol was voor de mensen, de gemeenschap, ons allemaal.
Arbeid is een sociaal gegeven, het samenzijn geeft betekenis aan werk en leven. Ook dat sociale is een recht, het gevoel samen aan iets te werken, die kameraadschap. Vandaag, zeker zoveel als vroeger, moeten we arbeidsvreugde voorop zetten.
De arbeidersstrijd is altijd een moeilijke strijd geweest, maar de strijd die komt zal zeker moeilijker zijn dan de onze.
De wereld is complexer geworden. Maar dat we vaststellen dat het moeilijk is, wil niet zeggen dat we niet kunnen handelen. Niets doen is verliezen, er is altijd iets te winnen, maar de strijd moet aangegaan worden. De weg is lang en smal maar we moeten hem gaan.
Zeggen dat 'de arbeider' niet meer bestaat, dat is gevaarlijk want we mogen onszelf niet verliezen. Het onrecht blijft, de uitbuiting blijft, ongezond werk blijft bestaan. Er zijn steeds minder bedrijven met een massa arbeiders, maar machteloze werknemers zijn er evenveel. We kunnen niets anders dan samenwerken, over de grenzen heen want nu worden Polen plots concurrenten van Belgen, en Bulgaren van Polen,...
Als ik terugkijk zie ik de strijd die we voerden als een mooie strijd. We kunnen niet anders dan ons afvragen hoe die strijd vandaag vorm moet krijgen.
José De Staelen:
Dat zingen van arbeiders samen, dat was natuurlijk ook samenhorigheid, dat was een kracht. Er zat een eenvoudige boodschap in die liederen, direct door iedereen te verstaan. Maar het was ook een geruststelling, als we zongen dan kwam het niet tot woedeuitbarstingen. Je moet dat niet onderschatten, die opgekropte woede die onder arbeiders kan bestaan. Maar woedeuitbarstingen hielpen onze zaak niet vooruit.
Zingen was ook een vreedzaam ombuigen van kwaadheid naar gerichte akties. Het lied had een functie, was nuttig en zinvol. Soms geloof ik dat door de samenzang bloedvergieten is vermeden. We schreven teksten op bekende melodieën. Het lied 'Hand in Hand Kameraden' is op Boelwerf ontstaan.
Nu zing ik nog steeds, ik zing eigen liedjes op zelf verzonnen melodieën. Mijn gitaar gebruik ik eerder om de juiste toon te vinden dan om echt muziek te spelen. Ik weet niet hoe je dat moet noemen...
Ik ben geen geschoolde zanger, zelfsgeen volkszanger in de traditionele zin van het woord. Ik ben geen toondichter of gitarist. Ik ben een arbeider die liedjes schrijft en zingt en gitaar speelt, iemand die zingt over dingen waar hij aan terugdenkt, waar hij in gelooft...