Ontwerp: Strash
Victoria Deluxe - Wintercircus - Artikels

Het circus is dood, leve het circus?

Op zondag 12 september opende het laatste circusgebouw van Gent na meer dan dertig jaar nog eens zijn deuren voor het publiek. Het Nieuw Circus - vandaag niet meer dan een stenen karkas - kon op die manier even in zijn aloude en meest primaire rol vervallen: het Prikkelen der Nieuwsgierigheid. Het naakte interieur toonde het circus in zijn meest kwetsbare vorm: ontdaan van rood fluweel en lenig personeel en hoogdravende paarden, restten enkel nog de sfeer van vergane glorie, de romantiek van de leegte, de poëzie van het verval en, dankzij enkele acts door leerlingen van de circusschool, nog een beetje spektakel.

Met de opening van het Nieuw Circus werd ook het publiek debat geopend over de toekomstige bestemming van het gebouw, dat na jarenlange leegstand en verloedering tot één van de markantste schandvlekken op het Gentse cultuurpatrimonium is verworden.

Maar meer nog dan over de toekomst van het circus werd er gepraat over het verleden. Circuskenner Guy Puttevils kwam, in het gezelschap van een aantal gewezen circusartiesten, getuigen over de glorieuze circusgeschiedenis van Gent. Foto's van het weelderige interieur, dat het Nieuw Circus ooit tot één van de mooiste van Europa maakte, herinneringen aan de legendarische revues die er soms plaatsvonden en persoonlijke anekdotes over het circusleven gaven het publiek een idee van de vroegere grandeur, status en populariteit van het circus.

Het is helaas een natuurwet die menig trapezeartiest aan den lijve mocht ondervinden: wie hoge toppen scheert, kan diep vallen. Hoe populair het circus van rond de eeuwwisseling ook was, circusgezelschappen en -liefhebbers beklagen zich inmiddels al een halve eeuw over de tanende belangstelling voor het circus bij overheid en publiek.

De dalende kwaliteit van circusgezelschappen en van hun voorstellingen is daar eerder een gevolg van dan een oorzaak. Ook het argument dat de mensen tegenwoordig 'veel meer gewoon' zijn, kan de impasse waarin het circus zich bevindt niet afdoende verklaren. Een circuspiste vullen met 500.000 liter water, zoals het Duitse circus Bush in 1933 deed in het Nieuw Circus, is ook vandaag immers nog behoorlijk indrukwekkend.

Dat de circusgeschiedenis zich vanaf de jaren '50 laat lezen als een Kroniek van een Aangekondigde Dood, heeft dan ook vooral te maken met het feit dat circus heel uitgesproken het product was van zijn tijd. Een korte duik in de historisch-maatschappelijke context van het circuswezen toont aan hoe belangrijk zijn sociale functie gedurende een kort maar bewogen tijdperk uit de geschiedenis is geweest, en maakt meteen ook duidelijk waarom het traditionele circus vandaag in zekere zin een rondreizend anachronisme kan worden genoemd.

Bij de inhuldiging van het Nieuw Circus in 1895 beleefden circussen overal in Europa hun gloriedagen. Het circus van rond de eeuwwisseling was een icoon van de moderne natiestaat, dat de sociale, economische en technologische evoluties van zijn tijd reflecteerde.

Lang voor de komst van film, televisie of het Internet bracht het circus 'de wereld aan huis'. Daarbij maakte het dankbaar gebruik van de technologische en wetenschappelijke innovaties die in de loop van het moderniseringsproces het licht zagen. Nieuwe technieken op het vlak van transport, verlichting, verwarming en bouwconstructies verschaften het circus de mogelijkheid zich steeds sneller te verplaatsen, grotere  of vaste constructies op te trekken en het publiek comfortabeler te laten plaatsnemen. Bepaalde circussen groeiden op die manier uit tot hypermoderne, luxueuze paleizen van massavermaak.

Tegelijk volgden circusondernemers in hun onophoudelijke zoektocht naar nieuwe sensaties de vooruitgang van wetenschap en techniek op de voet. Zo kregen nieuwe mediavormen als film en nieuwe technieken als röntgenstralen van meet af aan een populair podium, en droegen circussen bij tot de vulgarisering van technologische en wetenschappelijke kennis.

Circusspektakels absorbeerden ook diepgaand de invloeden van imperialisme en kolonialisme. De stelselmatige verkenning en beschaving van de overzeese gebieden gaf in Europa aanleiding tot een groeiende fascinatie voor exotische culturen en vreemde volkeren, en leidde bovendien tot een diepgewortelde overtuiging van de dominantie van het blanke ras en de westerse waarden en normen.

Circussen begrepen de groeiende marktwaarde van exotiek en haastten zich om hun kostuums, woonwagens en decors een oosters allure te geven. Ze voerden acts op met Indianen, fakirs en buikdanseressen en 'reconstrueerden' ganse Zoeloedorpen voor de ogen van de nieuwsgierige toeschouwers. Vanuit dezelfde optiek wierpen ze zich op als de belangrijkste afnemers van wilde diersoorten, die ze aanvankelijk louter 'ter informatie' tentoonstelden in hun menagerieën, maar later ook steeds meer integreerden in de circusacts. Onder het mom van educatieve of wetenschappelijke doeleinden bestond gedurende een bepaalde periode bovendien de traditie om uitheemse volkeren zoals pygmeeën of mensen met een fysieke handicap (de zogenaamde freaks) op te voeren voor het publiek.

Omstreeks het midden van de 20e eeuw leidden de veranderde opvattingen over ethiek en moraliteit na jarenlang protest uiteindelijk tot een verbod op deze praktijken.

Het is een logische en terechte evolutie dat op dit moment - met dierenrechtenorganisatie GAIA als vaandeldrager - dezelfde polemiek woedt rond het opvoeren van wilde dieren in circussen. De liefdevolle uitspraken van circusfanaten hieromtrent, zoals "dierendressuur is geen mishandeling, het is kunst" of "natuurlijk worden circusdieren goed verzorgd, ze vormen immers de belangrijkste investering van een circusondernemer", zijn in feite non-argumenten. De bewegingen van een Chinees slangenmeisje dat al sinds haar derde oefent om haar lichaam in de meest onmogelijke bochten te wringen, kunnen puur esthetisch immers óók als kunst worden beschouwd, maar op ethisch vlak worden deze praktijken in onze cultuur unaniem veroordeeld. En of een olifant nu rijkelijk gevoederd, dagelijks gepoederd of liefdevol bemoederd wordt, in een circuswagen hoort hij niet en op een omgekeerde emmer gaan staan doet hij vast ook niet omdat hij dat zo leuk vindt.

Maar terug naar de vorige eeuwwisseling, toen circusvoorstellingen nog het toppunt waren van modern, sensationeel vertier.

Het circus speelde niet alleen in op concrete wetenschappelijke, technologische en politieke transformaties, het bood als populair vermaaksoord ook een antwoord op enkele diepgaande mentale veranderingen tijdens de modernisering. Processen van rationalisatie, verstedelijking en individualisering kenmerkten de overgang van de traditionele agrarische samenleving naar de moderne, stedelijke samenlevingsverbanden. Deze overgang naar ons huidige, kapitalistische maatschappijtype gaf aanleiding tot gevoelens van vervreemding, machteloosheid en het verlies van sociale cohesie in de burgergemeenschap.

In de gesloten gemeenschap van het circus, waar de artiesten volledig van elkaar afhankelijk waren voor het garanderen van hun inkomen, hun huisvesting en (in bepaalde circusacts) zelfs van hun leven, waren onderlinge solidariteit en gemeenschapszin wel nog duidelijk aanwezig. Het burgerijke publiek kon zich in het circus niet alleen vergapen aan de grappige en gewaagde opvoeringen van clowns en acrobaten, maar kon ook een blik werpen op het functioneren van de circusgemeenschap an sich, en op die manier voor de duur van de voorstelling het verloren gewaande gemeenschapsgevoel even collectief herbeleven.

'Naar het circus gaan' had nog een andere sociale functie: het was een vorm van escapisme, een mogelijkheid zich even te onttrekken aan de vertrouwde institutionele en ruimtelijke kaders en onder te dompelen in een parallel universum, waarin gespot en gespeeld werd met de heersende normen, maar waar ook enkele belangrijke burgerlijke idealen zoals werkijver en het belang van hechte familiebanden werden bevestigd. Het bestaan van getolereerde vluchtwegen uit de dagelijkse realiteit geeft mensen de illusie van vrijheid en voorkomt al te grote weerstand tegen de bestaande maatschappelijke structuren. Zo kon het dat circusbezoek voor het burgerlijk publiek een normbevestigende rol vervulde, ook al werd de circusgemeenschap zelf beschouwd als een marginale, buitenmaatschappelijke groep omwille van zijn heterogene sociale en culturele mix.

Inmiddels heeft zich de overgang voltrokken van de moderne naar de postmoderne samenleving. Het circus kon in dit proces niet anders dan lijdzaam toekijken hoe het stelselmatig buiten spel werd gezet.

Hoe geavanceerder de wetenschappelijke en technologische kennis en mogelijkheden werden, hoe moeilijker circussen het kregen om het hoofd boven water te houden. Omstreeks de Eerste Wereldoorlog verloor het circus onder druk van de concurrentie van amateurkunsten, sport en film zijn status als populairste volksvermaak. Met de doorbraak van film en de opkomst van televisie rond de Tweede Wereldoorlog ging zijn aantrekkingskracht verder verloren.

De komst van de auto en de democratisering van het toerisme brachten het circus in de jaren '50 in een blijvende impasse. De functie van het circus om 'de wereld aan huis' te brengen ging verloren, tal van nieuwe ontspanningsvormen wierpen zich op als uitlaatklep voor het volk en veranderende zeden en gewoonten zetten het werken met dieren onder druk.

De in oorsprong afwijkende, marginale circusgemeenschap ziet zich door allerhande afsprakennota’s en subsidiedossiers bovendien steeds meer onder de controle geplaatst van de overheden. Van de buitenmaatschappelijkheid van het circus blijft op die manier niet veel méér over dan een symbool, een thema dat ter wille van de aantrekkingskracht op het publiek moet blijven worden uitgespeeld, ook al wordt het circusmilieu in de praktijk stilaan opgeslorpt door de 'gewone' burgermaatschappij.

Heeft het circus dan geen bestaansreden meer in onze huidige maatschappij?

Zeker is dat veel ingrediënten van het klassieke circus hun aantrekkingskracht bij het grote publiek hebben verloren. Circusgezelschappen moeten durven toegeven dat het traditionele circus waar ze zo krampachtig aan willen vasthouden, in zijn gloriedagen juist enorm vooruitstrevend was, zich bediende van de modernste technieken en de nieuwste ontwikkelingen op sociaal en cultureel vlak weerspiegelde. Ook het debat over het slopen of renoveren van het Nieuw Circus zou vanuit dat inzicht moeten vertrekken.

Interessant is de (rood-)fluwelen revolutie naar circustheater die de laatste jaren internationaal heeft plaatsgevonden. In eigen land is Circus Ronaldo er het overbekende bewijs van dat een mix van theaterinvloeden met nostalgische circuselementen - en zónder dieren - wel nog een groot publiek kan aanspreken. Het zou in ieder geval doodjammer zijn als we de fysieke (en sociale!) vaardigheden van circusartiesten niet meer naar waarde zouden schatten en de aloude circussymboliek uit ons collectief geheugen zouden laten verdwijnen.

Eén aspect van het circus is trouwens universeel en onvergankelijk. Tegenover de onttovering van het wereldbeeld verdedigt het circus hardnekkig het bestaansrecht van magie en illusie; tegenover de toenemende rationalisering en planning verheerlijkt het circus het irrationele en het onverwachte; en tegenover de voortschrijdende beschaving blijft het circus beroep doen op de zintuiglijke, animale, naïef-kinderlijke instincten van de mens.

Vanuit dat perspectief heeft onze huidige samenleving misschien zelfs meer dan ooit nood aan de romantiek van het circus...

 

Sarah Keymeulen